We hebben het gehaald! Op 10 januari liepen mijn zus Lonneke en ik de halve marathon van Egmond. Onze gezonde benen hebben ons niet in de steek gelaten. Met alle support, ons goede doel in gedachten, de vele juichende mensen aan de zijlijn en natuurlijk ook nog onze trainingen van de afgelopen maanden hebben we wind, kou, regen en heuvels getrotseerd en daarmee hebben we een supermooi sponsorbedrag binnengehaald voor Spieren voor Spieren. Iedereen die hieraan heeft bijgedragen: heel erg veel dank!!
dinsdag 19 januari 2016
We hebben het gehaald!
We hebben het gehaald! Op 10 januari liepen mijn zus Lonneke en ik de halve marathon van Egmond. Onze gezonde benen hebben ons niet in de steek gelaten. Met alle support, ons goede doel in gedachten, de vele juichende mensen aan de zijlijn en natuurlijk ook nog onze trainingen van de afgelopen maanden hebben we wind, kou, regen en heuvels getrotseerd en daarmee hebben we een supermooi sponsorbedrag binnengehaald voor Spieren voor Spieren. Iedereen die hieraan heeft bijgedragen: heel erg veel dank!!
donderdag 7 januari 2016
Aan de sponsors zal het niet liggen...
Nog drie dagen en dan ren ik de halve van Egmond, mijn eerste halve marathon. Aan de sponsors zal het niet liggen. Met de donatie van Esmeralda Sapperloot van Penarie - die in het echte leven voor zover ik weet onder een andere naam bekend staat - heb ik mijn streefbedrag bereikt. Met de donaties voor mijn zus Lonneke en de donaties op onze teampagina erbij zijn we inmiddels de 1000 euro ruim gepasseerd. Er zal dus gerend worden.
Het blakende zelfvertrouwen van de eerste dagen begint een beetje te wankelen: een pijntje in mijn kuit houdt me deze laatste week van de weg. Zondag begin ik liever goed hersteld. Ik doe wat krachttraining ter compensatie en ren af en toe een trap op. De kuit houdt zich gelukkig koest.
Vannacht droomde ik dat ik de halve marathon in vijf uur en twintig minuten liep. Ik heb dan weliswaar geen streeftijd (dat is het voordeel van een eerste keer: elke tijd is een PR), maar vijf uur en twintig minuten? Gelukkig was het in mijn droom 2009. Dus interpreteer ik hem als volgt: wie had in 2009 gedacht dat ik nog eens een halve marathon zou lopen? Ik zou er destijds maar liefst vijf uur en twintig minuten voor nodig hebben gehad! Nu niet meer. Nu ren ik hem glimlachend uit, ruim binnen de limiet. Let maar op!
En mocht je ons nog willen sponsoren, hier vind je mijn sponsorpagina, en hier de teampagina van Lonneke en mij.
donderdag 26 november 2015
Loopkracht
Ik ben gezegend met gezonde spieren. Mijn kinderen gelukkig ook: ze spelen en sporten dat het een lieve lust is. Eva is mini-pupil bij een atletiekvereniging en Levi voetbalt
en wil ‘later als hij groter is’ gaan veldrijden. Spelen en sporten zijn voor hen nog hetzelfde. Zelf fiets ik, doe ik
aan yoga en loop ik hard. Dat laatste is voor mij niet zomaar een sport.
Hardlopen heeft me mentaal veerkrachtiger gemaakt. Het heeft me
geholpen om depressies te overleven. Ik weet niet waar ik zou zijn
zonder mijn spieren.
Graag zet ik mijn loopkracht nu ook in voor anderen. Elk kind wil zorgeloos spelen en elk kind heeft sportieve dromen, maar voor kinderen met een spierziekte blijft het vaak bij dromen. Om deze kinderen te steunen loop ik op 10 januari in Egmond de halve marathon, mijn eerste halve marathon, voor Spieren voor Spieren. Als je Spieren voor Spieren net als ik een goed doel vindt (of als je mij extra hard wil laten lopen tijdens mijn eerste 21 km) en je kunt wat geld missen, sponsor je me dan? Dat kan via deze link: https://www.sportenvoorspieren.nl/actie/femke-kok
Graag zet ik mijn loopkracht nu ook in voor anderen. Elk kind wil zorgeloos spelen en elk kind heeft sportieve dromen, maar voor kinderen met een spierziekte blijft het vaak bij dromen. Om deze kinderen te steunen loop ik op 10 januari in Egmond de halve marathon, mijn eerste halve marathon, voor Spieren voor Spieren. Als je Spieren voor Spieren net als ik een goed doel vindt (of als je mij extra hard wil laten lopen tijdens mijn eerste 21 km) en je kunt wat geld missen, sponsor je me dan? Dat kan via deze link: https://www.sportenvoorspieren.nl/actie/femke-kok
maandag 23 november 2015
Licht
zaterdag 8 augustus 2015
Heuvel een: de gedachtencentrifuge
Ik denk nu ook te weten wat mensen met de runners
high bedoelen. Op een gegeven moment zegt je lichaam: kennelijk gaan we dit
doen. Kennelijk gaan we hardlopen. Ik weet niet waarom, er zal wel een mammoet
achter ons aanzitten, maar we hebben besloten dat dit belangrijk is. Laat ik
een paar niet-essentiële dingen uitzetten, zoals piekeren. (Diederik Jekel in een interview met Runners World, februari
2015).
Heuvel een
is niet de afstand, niet de tijd en niet de berg. Heuvel een is het hoofd, of
om wat preciezer te zijn: de gedachtencentrifuge. Zoals Jekel ook al heeft
ondervonden: het lichaam rent wel. Het rent en rent, en als het dat gestaag blijft doen legt het soms de kop het zwijgen op.
Gelukkig
heb ik niet zo’n hoofd dat vindt dat we beter thuis kunnen blijven, want een nog-niet-rennend
lichaam zou vanzelfsprekend meer moeite hebben het hoofd de mond te snoeren. Mijn
gedachtencentrifuge heeft echter wel een verontrustend hoog toerental. Als
ik wegren, is dat dan ook zelden voor een mammoet, maar meestal voor een
duizelingwekkende gedachtenkronkel. Of voor een deadline.
En wat nu
zo leuk is aan hardlopen: met het verstrijken van de minuten en kilometers,
verdwijnen kronkel en deadline doodeenvoudig uit het zicht. Rende ik voordat ik
ging hardlopen nog heel hard naar een deadline toe – om hem te halen – hijgde
hij de eerste kilometers misschien nog in mijn nek, na een tijdje is hij achterop geraakt. Deadlines hebben namelijk de neiging stil te blijven liggen.
Zelfs in de wetenschap – waar de eerste deadline altijd slechts de ‘binnenkort-uit-te-stellen-deadline’
is (je weet wel, die voor de ‘dit-is-de-echte-deadline’ en de ‘als-je-deze-haalt-ben-je-nog-steeds-de-eerste-die-iets-instuurt-deadline’),
lopen deadlines niet zo hard als mensen. En gedachten gaan vaak in rondjes, en niet rechtdoor.
Zolang je
rent zet je lichaam de hoofd-riedel even op pauze. Tot je natuurlijk thuiskomt
en uitgeput met een glas water in de aanslag halfslachtig wat rekoefeningen
staat te doen, precies daar waar je hem had achtergelaten. Dan tikt ‘ie gewoon weer op je schouder. Hallo
wannabe-hardloper, hier het echte leven!
donderdag 30 juli 2015
Zeven heuvels
In een
vlaag van verstandsverbijstering heb ik me ingeschreven voor de
Zevenheuvelenloop. Toegegeven, het is niet eens een
halve marathon of de ‘ultieme afstand’ van ruim 42 kilometer (die overigens ook niet meer zo ultiem is: 150 is het nieuwe 42,195). De Zevenheuvelenloop is maar vijftien kilometer, eigenlijk een afstand voor watjes dus.
Maar ik heb nog nooit eerder vijftien kilometer gelopen, zelfs niet in de
tijd-voordat-ik-moeder-werd. Ik hield het altijd bij tien. En er is nog iets
dat die kilometers ontzagwekkender maakt: zeven heuvels! Normaal gesproken loop
ik mijn rondjes en hexakaidecagonen in Brabant, door heide, bos en Bossche broek. Af en toe pik ik een
trapje mee, maar heuvels? Ik heb ze nog niet gesignaleerd…
Het gaat
niet om de tijd, zeg ik tegen mezelf, het gaat om de afstand (maar alles boven
de anderhalf uur zou ik nogal jammer vinden). En gelukkig leeft mijn omgeving
lekker mee. Eega roept: ‘ben je gek geworden’ als ik op zondagochtend om zeven
uur in hardloopkleren naast het bed sta. (Ik houd me voor dat hij dat niet zegt
omdat ik ga lopen, zoonlief is immers ook al even wakker, maar omdat ik hem
wakker maak om dat mee te delen). Een collega zegt bemoedigend: ‘leuk, de Zevenheuvelenloop!
Die liep ik vorig jaar in 64 minuten’. Als het zo moet...
Wordt
vervolgd.
maandag 12 januari 2015
Dus ik denk.
Vanmorgen
keek ik de eerste aflevering van een nieuwe serie Dus ik ben (11-01-2015), waarin
Stine Jensen op zoek ging naar een antwoord op de oude filosofische vraag of
wij ons denken zijn en waarin zij ook een uitstapje maakte naar de leer van de nondualiteit. Het nondualisme stelt in tegenstelling tot
het dualisme dat alles een is en dat alles vanzelf gebeurt. Dat idee (een
gedachte trouwens!) zou leiden tot rust, acceptatie en ontspanning. Hoewel ik
het hier verwoord in de vorm van een propositie zou nondualiteit vooral een
ervaring zijn, losgezongen van welke toevallige gedachte dan ook. Het werd een schurende, soms ergerlijke, maar ook opwindende en fascinerende aflevering
waarin Stine langsgaat bij een hoogleraar boeddhistische filosofie, de
kundalini-yoga, een nondualistische levenscoach en ten slotte de drug (ook wel
geneesmiddel genoemd) adyashanti.
Ben ik
mijn gedachten?
Wat deze
aflevering voor mij extra fascinerend maakte is dat ik net als Stine Jensen een
filosoof ben, die altijd maar denkt en denkt (en leest en leest) en daar ook
nog veel plezier aan beleeft, terwijl ik me sinds 2011 tegelijkertijd bezighoud
met meditatie en yoga (meditatie in beweging) om me zo nu en dan te bevrijden
van die stroom aan gedachten. Bovendien heb ik een immense weerstand tegen ‘zweverij’.
Voor mij geen yoga-docent die zegt ‘laat de God in je neerdalen’, want ik gil
rennend weg. De aflevering van Dus ik ben stelde mij dan ook danig op de
proef.
Er kwamen vele mensen aan het woord, yogi’s,
coaches en hoogleraren, die met behulp van gedachten uit wilden leggen dat wij
onze gedachten niet zijn. Het ‘zelf’ is slechts datgene waar die gedachten
doorheen gaan, of wat die gedachten ontvangt en weer laat gaan. Onmiddellijk
overviel mij de gedachte dat het onderscheiden van een zelf en zijn gedachten op
zichzelf nogal dualistisch is. Als alles een is, dan maken ik en mijn gedachten
deel uit van diezelfde eenheid. Nondualisme kan dus niet het idee zijn dat ik
mijn gedachten niet ben, maar slechts het idee (pardon, de ervaring) dat ik noch
ik noch mijn gedachten ben.
Het idee dat ik mijn gedachten niet ben is wel een
van de grondideeën achter mindfulness, een seculiere meditatie-stroming
gebaseerd op het Oosterse Vipassana, en het vindt ook in de hersenwetenschap en de
psychologie veel weerklank (als ik mijn gedachten ben, dan zou ik immers
niet
kunnen veranderen met behulp van cognitieve gedragstherapie). Ook
iedereen
die wel eens gemediteerd heeft zal erkennen dat tenminste een deel van
het bewustzijn niet denkt, maar observeert. Een meta-niveau dat zelf
geen gedachten
produceert (ook al observeert het gedachten zoals ‘er is een meta-niveau
in
mijn bewustzijn dat observeert en zelf geen gedachten produceert’ en
‘dit is
trouwens ook een gedachte’ en ‘hé, dit ook!’ en ad infinitum).
Maar als ik mijn gedachten niet ben, wat ben ik
dan? Het antwoord moet volgens sommigen zijn: niets. Zelfs geen doorgeefluik. Misschien
ben ik wel heel Cartesiaans als ik nu vertwijfeld uitroep: ‘maar wie denkt er
dan?’ Ik, me dunkt. Een observatiepost met gedachten (o ja, en een lichaam).
Meditatie
& Yoga
Wat
mediteren en yoga mij brengen is geen nondualisme, noch het ‘pure zijn’ of het
weerstandsloze leven. Het brengt me zelfs geen gedachteloosheid. Meditatie
leert mij allereerst dat gedachten (maar ook gevoelens) maar één ding zijn in
mijzelf. Het zijn interessante, soms leuke en opwindende, soms vervelende en
ontwrichtende dragers van inhoud, die komen en ook weer gaan. Mediteren leert
me dat ik ze niet zo serieus hoef te nemen als ik daar geen zin in heb (een
gedachte trouwens!). En dat wat nu onverdraaglijk lijkt min of meer vanzelf ook
weer weggaat (hetzelfde geldt helaas voor wat nu absoluut fantastisch is, dat
wordt voor het gemak wel eens vergeten).
Yoga leert mij verder dat ik behalve gedachten
ook een lichaam heb, of ben, en dat mijn lichaam op allerlei manieren invloed
heeft op mijn welbevinden (en andersom). Als filosoof opgegroeid in een Cartesiaans-dualistische
maatschappij (met zijn waardering van intellectueel werk boven hand- en
lichaamswerk en van het IQ boven het EQ, om maar een paar voorbeelden te noemen)
was het voor mij nog niet zo gemakkelijk om in te zien dat mijn lichaam meer is
dan een ondersteunend mechaniek voor mijn intellect.
Wat meditatie me vooralsnog niet leert is
dat ik bewust gedachteloos zou kunnen zijn. Want als ik zonder gedachten
was, zou ik die toestand dan niet opheffen zodra ik me daarvan bewust werd (‘hé,
ik ben zonder gedachten!’)? Er kunnen veel gedachten langsdrijven en weinig en
die gedachten kunnen me veel of weinig doen. Maar ben ik niet alleen maar gedachteloos
in mijn allerdiepste slaap of onder narcose, dus wanneer ik niet bewust ben? Het
gedachteloze bewustzijn heb ik nog niet ervaren.
Ook de yogi’s in Dus ik ben zijn trouwens
bepaald niet los geraakt van gedachten door hun spirituele praktijk. Ze houden
er misschien andere gedachten op na dan voorheen. Een voorbeeld is de
gedachte dat wanneer iedereen nondualistisch was (dacht?) er minder
geconsumeerd zou worden. Maar waarom zou ik de gedachte ‘ik moet minder
consumeren’ serieuzer nemen dan de gedachte ‘ik wil graag een nieuwe yoga-mat,
omdat ik dan pas echt zen kan worden’? Wanneer je de gedachte serieus neemt dat
gedachten niet serieus genomen hoeven te worden, verandert er in feite niets.
Ervaren
en denken
Een
moeilijkheid is natuurlijk dat het steeds gaat over gedachten, maar dat het
eigenlijk zou moeten gaan over ervaringen. En dat lijkt niet hetzelfde te zijn.
Het observatiecentrum in mijn bewustzijn denkt niet, maar het ervaart
wel. Was dat niet zo, dan zou ik er ook geen herinnering aan kunnen hebben
(vergelijk dat maar eens met een narcose). Het probleem van een ervaring is
echter dat zij ontsnapt aan een beschrijving, omdat ze steeds wanneer we haar
proberen te vangen verandert in een gedachte. Dit onvermogen om een ervaring
uit te leggen zonder verstrikt te raken in rationalisaties die haar geen recht
doen, deed me denken aan een klein boekje van de filosoof en zenboeddhist Jan
Bor: Wat is wijsheid? Een filosofische zoektocht. Daarin citeert hij de
Franse filosoof Bergson als volgt:
Als we de definities van de metafysica en de
opvattingen over het absolute onderling vergelijken, bemerken we dat de
filosofen het ondanks hun ogenschijnlijke meningsverschillen eens zijn over het
feit dat er twee fundamenteel verschillende wijzen bestaan om een ding te
kennen. De eerste houdt in dat men om de zaak heen cirkelt; de tweede dat men
erin binnentreedt. De eerste hangt af van het gezichtspunt dat wordt ingenomen
en de symbolen waarvan men zich bedient. De tweede neemt geen enkel
gezichtspunt in en steunt op geen enkel symbool. Van de eerste kennis zeggen we
dat deze zich tot het relatieve beperkt; van de tweede dat ze, waar mogelijk,
het absolute bereikt. (p. 21)
Wat hier
onderscheiden wordt is kennis door middel van rationele analyse en kennis door
middel van de ervaring. ‘Je dringt erin door en valt er via een intuïtie mee
samen’, zegt Jan Bor over de ervaring. En ook dat de ervaring datgene is ‘wat
in de grond van de zaak voorbijgaat of voorafgaat aan het denken en een zaak
van het hart is’. Bor schrijft nog veel meer zinnige dingen, onder meer over de ervaring van de muziek, maar daarvoor raad
ik u aan zijn boekje te lezen.
Het punt is nu: ook bij de nondualisten
in Dus ik ben gaat dit moment aan het denken vooraf en volgt dus op de
ervaring de gedachte, want ook zij kunnen achteraf niets anders doen dan hun
gedachten over die momenten laten gaan. De pijnlijke verwarring en mijn
irritatie bij het zien van deze aflevering van Dus ik ben werden veroorzaakt door hun bloedeloze pogingen om met behulp van rationele
constructies de zogenaamd nonduale waarheid te formuleren dat deze rationele constructies
duaal zijn, en dus een ‘belemmering’. Geprobeerd werd het onzegbare te zeggen.
Maar wat moeten we hier nu mee?
Moeten we proberen alle gedachten los te laten en ons onderdompelen in de
ervaring? Maar worden we dan niet apathisch en ineffectief? Zelf (pun intended)
moet ik bekennen dat ik weliswaar die momenten van pure ervaring koester, maar
ook het denken dat erop volgt. In tegenstelling tot vele Oosterse filosofen en
de Stoa denk ik niet dat ik mijn geluk ga vinden in onthechting. Juist in de hechting
ervaar ik mijn levenszin. Ik hecht aan mijn geliefden, aan mijn kinderen, aan
de filosofie, aan yoga en meditatie (en stiekem ook een beetje aan mijn
perperdure yoga-mat), aan sport en ja, soms ook aan mijn gedachten. Een ander citaat dat me te
binnen schiet:
Leugens en calomniën, bijbel en
geschiedvervalsingen hebben de wereld onverstaanbaar gemaakt en men vraagt zich
af of er nog enige mogelijkheid bestaat om uit te stijgen boven de mengelklomp.
En zie. Plots zingt het vogelijn en is er een kleine daad in een vergeten hoek
van de aardbol die ons sterkt, omdat zij de dingen weer binnen de eigen grenzen
doet vallen: mijn gedicht in de stinkende schoen van een gek. (Tip Marugg, De
morgen loeit weer aan, p. 12)
Daarom
hecht ik aan de dingen waaraan ik hecht: omdat zij de vogelijnen doen zingen in
mijn mengelklomp en in ons brandende universum. De pijn van hun eventuele verscheiden
durf ik wel te dragen, zolang hun bestaan aanleiding geeft om voor dit ‘universum’*
te blijven vechten. Mijn gedachten blijven komen en gaan en ik hoef ze niet
serieus te nemen. Als ik daar geen zin in heb.
*Warum
es die Welt nicht Gibt van Markus Gabriel is pas de volgende titel
op mijn leeslijst.
zaterdag 25 januari 2014
Tijdverlummeling
Een gedicht van Maria Barnas waar ik om moest lachen, en bijna huilen, van herkenning. Ik zou het 'tijdverlummeling' hebben genoemd.
De Kinderen
Nog dertien minuten
nee twaalf.
Ik had de hele dag om te werken
maar ik ging lezen en sorteren en kijken
hoe ik de dag het best kon indelen en nu
heb ik er nog maar elf.
Dan moet ik de kinderen halen. Luiers omdoen
neuzen afvegen en roepen dat ze niet op hoofden
mogen slaan met pannen en dieren
schoppen en deuren en niet op het kleed poepen
en er met een trein doorheen rijden
en niet je neus aan je broer afvegen
en nu moet je echt slapen slapen slaap nu toch
eens
in je eigen bed en niet schreeuwen niet schreeuwen
schreeuw niet zo!
Het hikken in mij
als de ochtend die ik
in schok schokken voorbij zie gaan.
Nog acht minuten voor een meesterwerk
of laat het een begin zijn.
Iets wat zo kan klinken.
Uit: Maria Barnas, Jaja de Oerknal
De Kinderen
Nog dertien minuten
nee twaalf.
Ik had de hele dag om te werken
maar ik ging lezen en sorteren en kijken
hoe ik de dag het best kon indelen en nu
heb ik er nog maar elf.
Dan moet ik de kinderen halen. Luiers omdoen
neuzen afvegen en roepen dat ze niet op hoofden
mogen slaan met pannen en dieren
schoppen en deuren en niet op het kleed poepen
en er met een trein doorheen rijden
en niet je neus aan je broer afvegen
en nu moet je echt slapen slapen slaap nu toch
eens
in je eigen bed en niet schreeuwen niet schreeuwen
schreeuw niet zo!
Het hikken in mij
als de ochtend die ik
in schok schokken voorbij zie gaan.
Nog acht minuten voor een meesterwerk
of laat het een begin zijn.
Iets wat zo kan klinken.
Uit: Maria Barnas, Jaja de Oerknal
woensdag 1 januari 2014
Wensen
En daarom heb ik dit keer geen goede voornemens, maar slechts goede wensen voor het nieuwe jaar. Omdat een goed voornemen een voorpost is van falen, maar een wens van kracht blijft na duizend misstappen. Omdat een voornemen klinkt als "ik moet", terwijl een wens klinkt als "ik wil". Omdat een voornemen gevoelig is voor externe en onvoorziene omstandigheden, terwijl een wens standhoudt onder welke omstandigheid dan ook.
Misschien denkt u nu: wat een kul, een spel met woorden. Want waarom zou "ik neem me voor te stoppen met roken" minder effectief zijn dan "ik wens mezelf een rookvrij leven toe?". Of waarom zou "ik neem me voor om relaxter te reageren in stressvolle situaties" onderdoen voor "ik wens mezelf toe wat relaxter in het leven te staan" (een van mijn eigen wensen)? Dat zal ik u vertellen: omdat het voornemen niet meer te roken na de eerste sigaret van 2014 mislukt is, terwijl de wens van een rookvrij leven na de dertigste nog fier overeind staat. En omdat stress op mijn werk of het ochtendhumeur van mijn dochter het voornemen relaxter te reageren frustreert, terwijl mijn wens relaxter in het even te staan onverminderd standhoudt na de zoveelste driftbui.
Een wens kent geen pessimistische scenario's (dat lukt me toch niet), duldt het niet afgeschoven te worden (daar kan ik toch niks aan doen) en lokt geen oordeel uit (weer mislukt, wat ben ik toch een sukkel). En dan, voorspel ik, vind je jezelf niet met een hele bak roomijs in bed omdat je toch niet van dat ene chocolaatje kon afblijven. Want na dat chocolaatje wens je jezelf nog steeds een gezond leven toe (met af en toe een lekker chocolaatje). Ik weet natuurlijk nog niet zeker of het zo ook gaat werken. Ik wens het mezelf in elk geval toe. En u ook. Gelukkig nieuwjaar en de beste wensen voor uzelf!
Misschien denkt u nu: wat een kul, een spel met woorden. Want waarom zou "ik neem me voor te stoppen met roken" minder effectief zijn dan "ik wens mezelf een rookvrij leven toe?". Of waarom zou "ik neem me voor om relaxter te reageren in stressvolle situaties" onderdoen voor "ik wens mezelf toe wat relaxter in het leven te staan" (een van mijn eigen wensen)? Dat zal ik u vertellen: omdat het voornemen niet meer te roken na de eerste sigaret van 2014 mislukt is, terwijl de wens van een rookvrij leven na de dertigste nog fier overeind staat. En omdat stress op mijn werk of het ochtendhumeur van mijn dochter het voornemen relaxter te reageren frustreert, terwijl mijn wens relaxter in het even te staan onverminderd standhoudt na de zoveelste driftbui.
Een wens kent geen pessimistische scenario's (dat lukt me toch niet), duldt het niet afgeschoven te worden (daar kan ik toch niks aan doen) en lokt geen oordeel uit (weer mislukt, wat ben ik toch een sukkel). En dan, voorspel ik, vind je jezelf niet met een hele bak roomijs in bed omdat je toch niet van dat ene chocolaatje kon afblijven. Want na dat chocolaatje wens je jezelf nog steeds een gezond leven toe (met af en toe een lekker chocolaatje). Ik weet natuurlijk nog niet zeker of het zo ook gaat werken. Ik wens het mezelf in elk geval toe. En u ook. Gelukkig nieuwjaar en de beste wensen voor uzelf!
zaterdag 30 november 2013
Cirkels
maandag 25 november 2013
Homo ludens
Homo ludens is Latijn voor spelende mens. Ik dacht altijd dat ik vooral een homo cogitans wilde zijn, een denkende mens. En ik associeer denken dan met gewichtigheid, met doorwrochte ideeën, met Russische literatuur, met verheven gevoelens en met het echte leven. Niet met verliefdheid, maar met Liefde, niet met sterven, maar met de Dood. Maar ik heb me bedacht. Bij nader inzien is ook het denken spel. Niet slechts een spel, want spelen is alles wat wij doen. Denkend, schrijvend, etend, wrochtend, slapend, soms zegevierend en soms falend, en uiteindelijk stervend speel ik. Ik ben een homo ludens.
Plaatjes
"Mama, ik ben bang."
Kom je even bij mij liggen dan?
"Hmhm"
En ga je dan zo weer lekker slapen?
"Jij kan wel slapen, mama, maar IK niet.
Want IK zie 's nachts plaatjes. En sommige zijn eng."
Kom je even bij mij liggen dan?
"Hmhm"
En ga je dan zo weer lekker slapen?
"Jij kan wel slapen, mama, maar IK niet.
Want IK zie 's nachts plaatjes. En sommige zijn eng."
zaterdag 6 april 2013
Stupid
Uit: Knots, van Ronald D. Laing:
Jill: You think I am stupid
Jack: I don't think you are stupid
Jill: I must be stupid to think you think I'm
stupid if you don't: or you must be lying.
I am stupid every way:
to think I'm stupid, if I am stupid
to think I'm stupid, if I'm not stupid
to think you think I'm stupid, if you don't
Jill: I'm ridiculous
Jack: No you are not
Jill: I'm ridiculous to feel ridiculous when I'm not.
You must
be laughing at me
for feeling you are laughing at me
if you are not laughing at me
;-)
Jill: You think I am stupid
Jack: I don't think you are stupid
Jill: I must be stupid to think you think I'm
stupid if you don't: or you must be lying.
I am stupid every way:
to think I'm stupid, if I am stupid
to think I'm stupid, if I'm not stupid
to think you think I'm stupid, if you don't
Jill: I'm ridiculous
Jack: No you are not
Jill: I'm ridiculous to feel ridiculous when I'm not.
You must
be laughing at me
for feeling you are laughing at me
if you are not laughing at me
;-)
vrijdag 30 november 2012
maandag 23 juli 2012
Mindless
Omdat ik geen trendsetter maar een trendwatcher ben - en dan bedoel ik dat ik van een afstandje argwanend naar elke nieuwe trend of hype kijk - ben ik mij als laatste der mohikanen gaan verdiepen in de mindstyle-trend die mindfulness wordt genoemd. Mindfulness gaat uit van de intuïtieve notie dat elk ogenblik het enige is dat je hebt. Er is alleen het nu. Het verleden is slechts een herinnering die je nu hebt en de toekomst is een verwachting die je in dit ene ogenblik koestert. En omdat je nu leeft, in dit ene ogenblik, is het goed om je aandacht daarop te richten. Als je dat doet, dan leef je met aandacht voor wat er is.
Een mooi streven, als je het mij vraagt, maar op sommige momenten mooier dan op andere. Want als ik alleen dit ene ogenblik heb, dan val ik steeds volledig samen met wat ik nu ben. Op dit moment is dat prima wat mij betreft en ben ik niets dan een schrijvende mens. Maar ik moet bekennen dat ik sinds dit inzicht nog niet naar de WC heb durven gaan, want wie wil er nou in dat ene ogenblik dat er is een poepende mens zijn?
Een mooi streven, als je het mij vraagt, maar op sommige momenten mooier dan op andere. Want als ik alleen dit ene ogenblik heb, dan val ik steeds volledig samen met wat ik nu ben. Op dit moment is dat prima wat mij betreft en ben ik niets dan een schrijvende mens. Maar ik moet bekennen dat ik sinds dit inzicht nog niet naar de WC heb durven gaan, want wie wil er nou in dat ene ogenblik dat er is een poepende mens zijn?
zondag 26 februari 2012
Droste-gedicht
zondag 28 augustus 2011
Ode aan mijn kapper
Volgens Coos, mijn kapper, bestaat er geen moeilijk haar. Alleen slechte kappers. Nonchalant knipt hij mijn weerbarstige, weerborstelige haar in iets dat zowaar op een model begint te lijken. Bij Coos komt er geen klemmetje aan te pas. Met een arm achteloos bungelend langs zijn in zwarte spijkerbroek en t-shirt gehulde lijf knipt hij hier en daar, schijnbaar willekeurig, plukjes haar weg. Doeltreffend. Een man die zijn vak verstaat. Bij Coos verlaat iedereen glimlachend de zaak, is het niet vanwege zijn sterke verhalen over sigaren (en de beste websites om ze te kopen), omkoping aan de Russische grens, de beste bakkers van Nederland of zijn korte carriere als helikopterpiloot, dan wel na een blik in de spiegel. Haren maken de vrouw. En niet te vergeten de man. En bij Coos worden haren na knipwerk kunst. Zelfs de mijne, die eerder nooit eerder door iemand getemd konden worden. Ongewenste krulletjes worden vakkundig weggeknipt (“wat is daarmee gebeurd? Gesneden zeker. Nooit snijden, zulk haar”). Imperfecties gladgestreken. En het meest bewonderenswaardig: na een knipbeurt bij Coos hoeft de vraag ‘hoe krijg ik in hemelsnaam zelf mijn haar in model’ niet meer gesteld te worden. (“Gewoon met het haar meeknippen, dan valt het vanzelf goed”).
Ach, waren alle mensen maar zoals Coos. Kappers, maar ook bakkers, kleermakers, psychologen, chirurgen, loodgieters. Ik zou zonder aarzelen mijn haar, maag, garderobe, ziel, lijf en gootsteen aan hen toevertrouwen, achterover leunen en erop vertrouwen dat alles goed kwam.
woensdag 3 augustus 2011
Beter goed gejat...
Vandaag werd mij zomaar dit Gedicht voor dokter Trimbos in herinnering gebracht. Alledaags maar ongemeen grappig:
'Goedkope wijn, masturbatie, bioscoop' schrijft Céline.
De wijn is op, en bioscopen zijn hier niet.
Het bestaan wordt wel eenzijdig.
Gerard Reve, Nader tot u, (1966)
maandag 21 maart 2011
O, o champagnerie
Als de dag zoetaan aanzwart
En aan de einder de pluimen witte rook
– die ons als trouwe metgezellen loddig toewoven –
In de Nijmeegse nacht verdwijnen
Als wij aan het eind van ons Latijn
De paardenharen penselen neervlijen
Waarmee we bedrijvig monumentale
In gerecycled papier gebonden bundels finetunen
Als zelfs onze vergrijzende massa aanstormend talent
Kwijnend onder doorwrochte nog onbedachte ideeen
Achter zijn ledverlichte schermen
Onrustig op en neer begint te vrijen
Ofwel, als onze godgelijkende vermogens tot het uiterste zijn gepijnigd
Waarheen toogt dan ons vermaledijd lijf?
Niet naar nuffige etablissementen
Waar kortgerokte oberessen dreinen
Die zoetgeschaafde coctails bereiden
Of turfdoortrokken whisky in bekerglazen
Ongevraagd gesouffleerd door bite-loze spijzen
Niet naar kwastige kroegen
Waar nietbespraakte kelners vertwijfeld
Maar met zoetgevooisde tongen wijn aanprijzen
En die uitschenken in pootloze glazen
Waar ongebliefd priemsels ijs in drijven
Neen
Wíj laven ons loos aan Methusalem
Zestien treeën boven het plaveisel
Waar Bacchus ons verleidt onder waarheidsgetrouwe voorwendselen
Van bruut bruisend vocht in cherubijnen refraîchissoirs
En rijpe millésimé’s in kristallijnen karaffen
(of in plastieken bekers, maar een kniesoor die er op let)
Daar dichten Nijmeegs libertijnen
– als geborneerde blauwkousen –
De lof van (bijna) dode denkers
En spinnen lichtvoetig bubbelend ragfijne kathedralen
Van bijkans rijpe hersenkronkels
Totdat na hun zielen ook hun lijven verzadigd neerzijgen
Als verliederlijkte drenkelingen
Of strandgapers die willoos in de branding drijven
Pas dan is het tijd ons zware corpus te lichten
Achterlatend ons lijdend voorwerp
Met haar geheimvol hert
O, o Champagnerie.
En aan de einder de pluimen witte rook
– die ons als trouwe metgezellen loddig toewoven –
In de Nijmeegse nacht verdwijnen
Als wij aan het eind van ons Latijn
De paardenharen penselen neervlijen
Waarmee we bedrijvig monumentale
In gerecycled papier gebonden bundels finetunen
Als zelfs onze vergrijzende massa aanstormend talent
Kwijnend onder doorwrochte nog onbedachte ideeen
Achter zijn ledverlichte schermen
Onrustig op en neer begint te vrijen
Ofwel, als onze godgelijkende vermogens tot het uiterste zijn gepijnigd
Waarheen toogt dan ons vermaledijd lijf?
Niet naar nuffige etablissementen
Waar kortgerokte oberessen dreinen
Die zoetgeschaafde coctails bereiden
Of turfdoortrokken whisky in bekerglazen
Ongevraagd gesouffleerd door bite-loze spijzen
Niet naar kwastige kroegen
Waar nietbespraakte kelners vertwijfeld
Maar met zoetgevooisde tongen wijn aanprijzen
En die uitschenken in pootloze glazen
Waar ongebliefd priemsels ijs in drijven
Neen
Wíj laven ons loos aan Methusalem
Zestien treeën boven het plaveisel
Waar Bacchus ons verleidt onder waarheidsgetrouwe voorwendselen
Van bruut bruisend vocht in cherubijnen refraîchissoirs
En rijpe millésimé’s in kristallijnen karaffen
(of in plastieken bekers, maar een kniesoor die er op let)
Daar dichten Nijmeegs libertijnen
– als geborneerde blauwkousen –
De lof van (bijna) dode denkers
En spinnen lichtvoetig bubbelend ragfijne kathedralen
Van bijkans rijpe hersenkronkels
Totdat na hun zielen ook hun lijven verzadigd neerzijgen
Als verliederlijkte drenkelingen
Of strandgapers die willoos in de branding drijven
Pas dan is het tijd ons zware corpus te lichten
Achterlatend ons lijdend voorwerp
Met haar geheimvol hert
O, o Champagnerie.
vrijdag 18 februari 2011
Waarom je niet in de evolutieleer kunt geloven.
Als historicus van het middeleeuwse denken vraag ik me wel eens af wat de ‘relevantie’ van mijn onderzoek is. Gelukkig stuit ik soms op onderwerpen die tijdloos lijken. Zo gaf ik vorige week een aantal colleges over de verhouding tussen geloof en rede, of tussen theologie en filosofie, in de late middeleeuwen. Omdat filosofie destijds het hele spectrum aan wetenschappen representeerde, zou ik kortweg en met lichte aarzeling kunnen zeggen: de verhoudig tussen geloof en wetenschap. De discussies die in de veertiende eeuw aan de universiteit van Parijs werden gevoerd lijken soms verdacht veel op hedendaagse discussies over creationisme, intelligent design of het antropisch principe. Mocht u de tijd hebben zich te verliezen in een verhaal over vervlogen tijden, dan schets ik u graag de achtergrond.
Aan de universiteit van Parijs speelde de filosofie vanaf de dertiende eeuw een rol van betekenis. Aan de filosofiefaculteit – de artes-faculteit genaamd – die beschouwd kan worden als het ‘core-curriculum’ van de universiteit, werden bijvoorbeeld alle werken van de beroemde antieke filosoof Aristoteles bestudeerd en becommentarieerd. Door de bestudering van deze schat aan antieke wijsheid werd de filosofie steeds belangrijker. U moet zich voorstellen: die teksten waren net herontdekt en daarmee was een enorme schat aan kennis plotseling beschikbaar. De filosofie werd in deze tijd steeds autonomer en onttrok zich steeds vaker aan de hoede van de theologie. De verhouding tussen filosofie en theologie kwam daardoor op scherp te staan. Het was veel theologen bijvoorbeeld een doorn in het oog dat magisters aan de filosofische faculteit zich mengden in discussies over controversiële, theologische kwesties, – zoals bijvoorbeeld de bestaansduur van de wereld. Aristoteles had geschreven dat de wereld eeuwig heeft bestaan, terwijl de middeleeuwse denkers wisten dat deze in werkelijkheid op een welomschreven moment (in den beginne) door God was geschapen uit het niets zoals het bijbelse scheppingsverhaal hen had geleerd. Sommige filosofen probeerden zulke kwesties op filosofische wijze te duiden, hoewel geen van hen zou beweren dat de Bijbel het bij het verkeerde eind had.
Deze filosofische exercities waren zeer aanstootgevend voor theologen. Níet – zoals u nu misschien zult denken – omdat de theologen vonden dat antieke filosofische denkbeelden niet mochten worden toegepast op geloofswaarheden. Dat deden de theologen, die allemaal een vooropleiding in de filosofie hadden genoten, immers zelf ook. Denk maar aan de grote theoloog Thomas van Aquino, die veelvuldig Aristotelische inzichten gebruikte om het geloof te verhelderen of verklaren. Om de reactie van de theologen te begrijpen helpt het wellicht te bedenken dat de meeste filosofen een soort van ‘undergraduates’ waren: de opleiding der theologie volgde op de filosofische opleiding en nam elf jaar in beslag. Een filosoof die zich met theologische aangelegenheden wilde bezighouden, sprak – in de ogen van theologen – voor zijn beurt. Hij moest eerst maar eens een jaartje of elf aan de studie der theologie gaan wijden.
Je zou kunnen zeggen dat de controverse tussen filosofen en theologen vooral over bevoegdheden ging. Theologen – maar ook filosofen – bakenden hun territorium af. Wie de grenzen overschreed deed aan landjepik. Mocht een filosoof zich uitspreken over de Drieëenheid van God, de satisfactietheorie, de transsubstantiatie en andere mysteries van het geloof? De kerk, de theologische faculteit en óók veel filosofen vonden van niet. Dit waren zaken die aan de theologie toekwamen. Het domein van de openbaring was toebedeeld aan de theologen, het natuurlijke domein aan de filosofen. Die mochten in hun onderzoek alleen gebruik maken van de natuurlijke rede, en niet van geloofswaarheden. Deze verdeling werd zelfs vastgelegd in de statuten van de filosofiefaculteit en filosofiestudenten moesten vanaf 1272 een eed afleggen, waarin zij beloofden “zich niet bezig te houden met puur theologische vragen”.
Wat bleef er nog over voor de filosofie? Eigenlijk heel veel. De filosofie kon bijna alles bestuderen, met uitzondering van de zojuist genoemde geloofmysteries. Het was alleen wél zaak dat filosofen de dingen bestudeerden in een natuurlijk licht, d.w.z. zonder hulp van de openbaring. Zo stelde in de Middeleeuwen geen filosoof de vraag of God bestaat en of hij de wereld heeft geschapen. Elke filosoof (en theoloog) wist dat immers, omdat het hem geopenbaard was. De filosoof vroeg zich wel af of Gods bestaan ook op natuurlijke wijze kon worden bewezen. Kunnen we niet alleen door het geloof, maar ook met onze rede weten dat God bestaat? Met andere woorden: de filosoof bestudeerde de schepping (en haar schepper) met behulp van de rede en in een puur natuurlijk licht. Zo werd langzaam de wetenschap gescheiden van de theologie, al zou het nog eeuwen duren voor het van een echte boedelscheiding kwam.
Maar is die boedelscheiding definitief? De verhouding tussen wetenschap en geloof is geen typisch middeleeuws thema. Sterker nog: het is bijzonder actueel. In 2005 ontstond in Nederland commotie toen Maria van der Hoeven, destijds minister van onderwijs, opperde dat de theorie van intelligent design wellicht aan alle scholen moest worden onderwezen. De intelligent-desing theorie is, kortweg, het idee dat de natuurlijke systemen die wij aantreffen niet verklaard kunnen worden zonder een intelligente schepper te postuleren. Volgens tegenstanders is de theorie ingegeven door geloof en hoort hij daarom niet thuis op scholen, waar immers geen geloof, maar rationele kennis wordt gedoceerd. Maria van der Hoeven kon overigens met dit laatste instemmen. Zij was er alleen van overtuigd dat intelligent design geen geloofswaarheid is, maar een rationele theorie met wetenschappelijke verklaringskracht. Daarmee rekte zij de grenzen van het wetenschappelijk domein op.
Iets vergelijkbaars, maar dan precies omgekeerd, gebeurde vorig jaar, tijdens het Darwin-jaar, met de evolutietheorie. Keer op keer werd deze wetenschappelijke theorie in het publieke debat de maat genomen door haar te confronteren met creationistische theorieën. In dit debat werden echter niet de grenzen van de wetenschap opgerekt, maar die van het geloof: de evolutietheorie werd door tegenstanders steevast gepresenteerd als een vorm van geloof. Het Reformatorisch Dagblad bracht het nieuws: “Geloof in Evolutie is ook gewoon een religie”. Het Actie Comité Schepping bezorgde in heel Nederland de folder: “Evolutie of Schepping? Wat geloof jij?” Prompt werd deze woordkeuze door presentatoren, zoals Matthijs van Nieuwkerk, overgenomen Zelfs wetenschappers begonnen te beweren dat zij ‘geloofden in de evolutietheorie’. Dat was ongelukkig, want de domeinen van wetenschap en geloof raakten nu echt verstrikt.
Hoewel een wetenschapper geloof hecht aan zijn theorie of hypothese zolang die nog niet bewezen is (zoals ik ook geloof dat wij in een gekromde driedimensionale ruimte leven, zonder dat ik het bewijs daarvoor zelf heb navoltrokken) gelooft hij niet op dezelfde manier in de evolutietheorie, of in het bestaan van het Higgs-Boson deeltje, als een gelovige in God. Als hij dat wel zou doen zou hij zich niet zoveel moeite getroosten zijn theorie steeds weer te bevragen, opnieuw te testen, bij te stellen en – indien nodig – te verwerpen. Terwijl God per definitie eeuwig is, is een paradigma per definitie eindig. Wetenschap zoekt immers naar ‘een door waarnemingen en experimenten gestaafde theorie met een zo groot mogelijke verklaringskracht’. Een wetenschapper hecht daarom niet bijzonder aan de specifieke inhoud van deze theorie en is bereid die te verwerpen wanneer er wetenschappelijke bewijzen zijn dat hij tekort schiet. Sterker nog, hij gaat actief op zoek naar bewijzen tegen (en voor) zijn hypotheses. Hier is precies het verschil gelegen met het geloof, dat uitgaat van een specifieke, meestal geopenbaarde inhoud, en vervolgens naar bevestiging zoekt – of naar ontkenning van wat die inhoud bedreigt. Bij het observeren van de pragmatische houding die de wetenschapper ten aanzien van zijn theorie inneemt verzucht de gelovige dan al snel: “Hij gelooft er zelf niet eens in”.
Als ik nu een middeleeuwer was dan zou ik u vervelen met een ellenlange opsomming van distincties. Ik zou schrijven dat ‘geloven’ op verschillende manieren kan worden opgevat, en dat we die manieren niet met elkaar moeten verwarren: geloof kan een onwrikbaar geloof zijn in een opperwezen waarvan we het bestaan niet kunnen bewijzen; of een opschorting van kennis, wanneer we bijvoorbeeld het bestaan van een higgs-boson deeltje voorspellen; of een vorm van vertrouwen, wanneer ik geloof dat mijn rationele vermogens kunnen worden vertrouwd wanneer ze conclusies trekken over de werkelijkheid, en wanneer ik mijn moeder geloof wanneer zij zegt dat mijn vader mijn vader is. Dit soort distincties zal ik u besparen. Ik zeg alleen nog dit: sommige discussies, in wat voor vorm dan ook, zijn blijkbaar zo onoverkomelijk en zo eigen aan de menselijke natuur, dat zij met grote hardnekkigheid steeds weer opduiken in het publieke debat, jaar na jaar, eeuw na eeuw.
Abonneren op:
Posts (Atom)







