donderdag 23 juli 2009

Glenfarclas


Ik ben weer aan het werk! Maar niemand die het ziet, want ik zit moederziel alleen op de zestiende verdieping van het Erasmusgebouw. Daarom meld ik het maar even.
Buiten zijn de vierdaagsefeesten in volle gang. Morgen zal de hele stad even stilstaan. Geen zin in feest? Vergeet het maar: u hebt verplicht vrij om naar de intocht van duizenden strompelende lopers te gaan kijken, die al vier dagen lang spijt hebben van hun inschrijving, maar dat onder invloed van adrenaline en gladiolen binnen mum van tijd weer vergeten zijn.
Maar allez, ik ben dus weer aan het werk gegaan. Op mijn bureau vond ik een fles whisky, van het merk Glenfarclas (cask strenght!), met een briefje eraan:

Bijgaand wordt u toegezonden:
1. ter bespreking/ behandeling
2. om te behouden.

Doorgekrast was de voorgedrukte mededeling: ‘na inzage retour’. Kijk, dat is nog eens goed terugkomen. Dank, lieve collega M! Jij snapt wat een vrouw nodig heeft als ze terugkomt van haar verlof. Ik zal het edele vocht met liefde bespreken/behandelen. Wellicht komt er nog wel een ode van. Over minnende turfgestookte zilte westenwind en zacht zeewier met een snuifje amoniak. Of over turfdoortrokken slokken mondvullend charisma, van wolgeverfde Schotten. Of over het goud van nuffige etablissementen met kortgerokte oberessen, die zelf enkel zoetgeschaafde cocktails drinken, en whisky schenken in lage bekerglazen (maar daar geen excuus voor vragen). Wie weet… maar laat ik niet op de zaken vooruit lopen.

dinsdag 7 juli 2009

Twitter en Lord Voldemort

Net terug van vakantie. (Het is hoogst onverstandig op media als hyves, facebook en blogspot te melden dat, wanneer en waar je op vakantie gaat, maar ik ga ervan uit dat dit niét geldt voor het melden van je thuiskomst). Anderhalve week ben ik op een niet nader te noemen plaats weg geweest van de wereld en heb ik mij voorbereid op mijn terugkomst in het échte leven, mijn reïntegratie in de maatschappij, het einde van de verwezing, ofwel: het einde van mijn verlof. Over twee weken stort ik mij weer in het leven van alledag, maak ik mij weer nuttig binnen mijn nutteloze discipline, hoor ik er weer helemaal bij.
Manlief wijst me er liefjes op dat ik mij vergis. Present op hyves, facebook, skype en blogspot waande ik me weliswaar een hippe, bijdetijdse wereldburger, maar helaas: de echte wereldburger TWITTERT, aldus manlief. Komt er dan nooit een einde aan de stroom digitale 'places to be'? Is bestaan waargenomen worden? Of is mijn bestaan slechts af te leiden uit al mijn digitale sporen, zoals een voetafdruk de (gewezen) aanwezigheid van een mens verraadt? Vooralsnog maar geen twitter voor mij. Zoveel fragmentatie kan niet goed zijn voor een mens. Vraag dat maar aan Lord Voldemort.

woensdag 17 juni 2009

Mijn eerste pasfoto


Een babyleven is een aaneenschakeling van eerste keren. Gisteren was Eva voor het eerst slachtoffer van een steeds totalitairder regime en werd haar eerste pasfoto gemaakt:

Ik: Goedemiddag. Ik wil mijn dochter laten bijschrijven in mijn paspoort.
Gemeentebeambte: Dat kan. Heeft u een pasfoto van de kleine?
I: … een pasfoto?
G: Ja.
I: Mijn dochter is drie maanden oud.
G: Een pasfoto is nodig om identiteitsfraude te voorkomen.
I: Maar over twee maanden ziet zij er heel anders uit.
G: Het is voor haar eigen veiligheid.
I: Want wie niets te verbergen heeft…
G: Pardon?
I: Laat maar.
G: Regels zijn regels.
I: En een roos is een roos is…
G: Pardon?
I: Laat maar. Hoe krijg ik in hemelsnaam een baby op een pasfoto?
G: Daar zijn allerlei voorschriften voor.
I: Dat bedoel ik.
G: Pardon?

Ik: Goedemiddag. Ik wil een pasfoto laten maken van mijn dochter.
Fotografe: Dat kan. Uw dochter mag plaatsnemen op het krukje.
I: Mijn dochter is drie maanden oud.
F: …
I: Zij kan nog niet zitten.
F: U moet haar zo neerzetten dat het net lijkt alsof ze zit
I: Dus geen afspiegeling van de werkelijkheid?
F: Pardon?
I: Laat maar.
F: Uw handen mogen niet zichtbaar zijn op de foto.
I: Maar hoe moet ik haar dan vasthouden?
F: Zodanig dat uw handen niet zichtbaar zijn op de foto.
I: …
F: Haar ogen moeten open zijn.
I: Maar ze slaapt.
F: Dan moet u komen als zij wakker is.
I: Maar zodra we rijden slaapt ze.
F: Dan moet u haar wakker maken.
I: Babies die slapen worden niet zomaar wakker.
F: …

Eva: wèèèh
I: Ah, ze is wakker!
F: ‘klik’.
I: Is hij gelukt?
F: Of u moet willen dat ik een móóie foto van haar maak.
I: pardon?

dinsdag 26 mei 2009

Hoe ik van de ene op de andere dag een moeder werd


Moeder word je niet door een bevalling. Tien weken na de geboorte van mijn dochter stap ik nog altijd achter de kinderwagen rond als een ‘meisje met kind’. “Kijk mij. Vinden jullie het ook zo gek om mij achter een kinderwagen te zien?”
Nee, zo bleek vanmorgen. Een man op de fiets riep mij vrolijk toe: ‘dag knappe moeder’. Ik stond even stil en riep nog net voordat hij om de hoek verdween ‘dag man op de fiets’. Of hij knap was, of vader, had ik zo snel niet kunnen zien.
‘Dag knappe moeder.’ Van het ene op het andere moment ben ik een moeder geworden. Geen knappe vrouw, geen knappe historicus, geen knappe dichter, maar een knappe moeder. Gek is dat: nog nooit heeft iemand ‘dag knappe dochter’ naar me geroepen, terwijl ik toch mijn hele leven al een dochter ben. En dat terwijl iedereen weet dat ik een dochter ben, terwijl in mijn kinderwagen ook een zak aardappels had kunnen liggen.
Onlangs las ik een kort bericht in de krant: ‘onder de slachtoffers van de schietpartij was een moeder met haar kind’. Misschien was zij een zakenvrouw, een echtgenote, een kunstenares, een minnares. Natuurlijk, zij was óók een moeder, maar dat wist ik al. De journalist zou anders ongelijk hebben gehad toen hij ‘haar kind’ schreef. Toch dichtte hij haar het predikaat ‘moeder’ toe. Het drong langzaam tot me door: als ik nu dood ga, ligt er geen vrouw in een kist, maar een moeder.
Ben ik dan niet meer dezelfde sinds de geboorte van mijn dochter? Mijn middeleeuwse onderzoeksobjecten zouden wel raad weten met deze materie: ‘moeder’ is volgens hen een connotatieve term. Hij verwijst niet alleen naar de essentie van zijn onderwerp, maar ook nog naar iets buiten die essentie: een kind. Ik ben volgens die theorie dus niet in essentie een moeder, maar alleen in relatie tot mijn dochter. Die dan weer niet in essentie een dochter is, maar een mensje (want ook ‘vrouw’ is geen essentiële term, maar verwijst naar een man. Zou het nog zinvol zijn over 'vrouwen' te spreken als de man zou worden afgeschaft, zoals sommige bijensoorten al hebben gedaan?).
Toch denk ik niet dat de man op de fiets mij knap vond in relatie tot mijn dochter. Hij vond mij gewoon een knappe moeder. Ik kan er niet omheen: vanmorgen ben ik moeder geworden. QED.

maandag 27 april 2009

Hoe ik van de ene op de andere dag een blogger werd

Bloggen is voor hippe mensen. Zoals zus en schrijfster L die zich in het grootstedelijke A vestigde, een i-pod bezit (en een i-phone op de koop toe) en die huizen vindt alsof het oude schoenen zijn. Zoals vriendin S die in een oud stadspandje woont, journaliste is en elke week naar tenminste één concert gaat. Zoals R die elk jaar vrijwilliger is op de uitmarkt, en geregeld strijd voert voor milieudefensie met gevaar voor eigen leven en werkstraffen. Maar ik – historica en filosoof (of beter: filosofoloog) – ben allesbehalve hip. Na mijn studietijd in provinciestad N ben ik afgedropen naar Brabant, naar het kleine plaatsje V, waar ik woon tussen de plattelanders en de rijkgetrouwde huisvrouwen met boodschappen-autootjes. Ik lees elke dag een papieren krant (en niet eens de NXT variant daarvan). Ik heb geen i-pod, geen i-phone en ik heb nog nooit een MP3’tje gedownload. Ik weet niet eens hoe het moet. Mijn dagen breng ik door met mijn neus in middeleeuwse manuscripten, meestal niet op cd-rom, maar op ouderwetsche microfilm. Of ik lees boeken en poëzie, terwijl ik nog geen vijftig ben. Ik ben een koffie-snob, maar heb niet eens een volwaardig Wespennest in de buurt (deze zin is gecensureerd door de Reclame Code Commissie). Vanaf vandaag mag ik mij echter ‘hip’ noemen: ik blog, ik blogde, ik heb geblogd. Mijn naam is Femke Kok en ik ben een blogger.