maandag 22 november 2010

Geloofsbelijdenis uit de ivoren toren


Eénendertig. Nog twee jaar te gaan tot de Heilige leeftijd waarop Christus aan het kruis is gestorven zodat de mensheid bij God in een goed blaadje kwam te staan, voor wie daarin gelooft. Zou ik in vervlogen tijden oud zijn geweest – mijn kinderen zouden tieners zijn en mijn levensverwachting korter dan mijn geleefde tijd – in het huidige tijdgewricht ben ik laat-adolescent of jong-volwassen. Dit zou ‘mijn tijd’ moeten zijn (want er zijn ook periodes in het leven waarin ‘jouw tijd’ achter je ligt, of nog komen gaat). En toch voel ik me verweesd.

Ik ben een kind van mijn tijd. Ik blog, ‘ben’ op facebook en andere netwerksites (zelfs al vrees ik de gevolgen voor ’s mensens privacy). Dankzij de feministische golf werk ik als wetenschapster, en delen man en ik het huishouden en de opvoeding van onze kinderen evenredig. Maar langzaam raak ik mijn grip op de tijd kwijt.

Ik houd namelijk van de mogelijkheden van internet, maar niet van ongefundeerde en niet beargumenteerde meningen, of slordige citaties. Ik vind dat niet elke mening even veel waard is. Ik hecht aan mijn papieren krant, en ben bereid te betalen voor goede journalistiek, maar ben één van de laatste der Mohikanen. Ik houd ervan literatuur te lezen en poëzie, naar theater en naar de film te gaan, of (klassieke) concerten te bezoeken, maar dat is vandaag een ‘linkse hobby’. Ik ben ervan overtuigd dat het leven slechts waarde heeft in het licht van een groter geheel: in het licht van de geschiedenis en de toekomst, de vele levens die al geleefd zijn en die nog geleefd gaan worden. Het ‘hier en nu’ kan daarvan niet losgezongen worden. Ik denk dat gezondheidszorg en (ik noem maar wat) installatie-techniek, op een niet-individueel niveau niet belangrijker zijn dan ‘cultuur’, omdat in de toekomst niemand erom zal malen dat FK uit uit het pittoreske V veel te jong aan de geheimzinnige ziekte B is overleden, terwijl men wel met bewondering het meesterwerk van LK uit het niet minder pittoreske A zal lezen. En omdat wanneer er geen cultuur zou zijn, er geen reden is om te willen genezen van ziekte B, of om ons warm te houden. Ik denk dat je niet kunt bezuinigen op cultuur, omdat cultuur niet synoniem is aan podiumkunsten, maar aan het leven. Ik denk dat ‘rentmeesterschap’ en de mening dat niet de overheid maar boeren moeten zorgdragen voor natuurbeheer niet samen gaan. Ik weet dat er velen zijn die om wat voor reden dan ook niet kunnen voldoen aan de verwachtingen die de maatschappij van hen heeft en die toch niet lui zijn, of mislukt. Ik ben van mening dat geld een middel is en geen doel. Ik denk dat sommige dingen van waarde weerloos zijn (maar sommige gelukkig ook heel weerbaar).

Het oordeel van de luiden op het Haagse pluche zal niet mals zijn: ‘links’, ‘naïef’, ‘vrouw zeker’. Maar dat alles was ik gisteren ook al. Ook gisteren behoorde ik tot een kleine groep (de zogenaamde intellectuele elite) en was mijn mening een minderheidsstandpunt. Waarom voel ik mij vandaag dan verweesd? Omdat ik er gisteren nog op kon vertrouwen dat terwijl ik betaalde voor de ‘rechtse hobbies’ van anderen, zij dat voor de mijne zouden doen. Omdat ik hoopte dat zij die de vrijheid van meningsuiting verdedigden, dat ook deden voor hun tegenstanders. Omdat ik dacht dat democratie betekent dat je je ook tégen de democratie mag uitspreken. Omdat ik in de veronderstelling was dat anderen diep in hun hart ook vonden dat een comfortabele levensstandaard een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde is voor een zinvol leven.

Ik vraag me wel eens af wat ik mijn kinderen zal antwoorden wanneer zij mij later zullen vragen waarom ik ze op de wereld heb gezet. Mijn antwoord zou zijn: ‘omdat er zoveel is om voor te leven. Vriendschap, liefde, literatuur, verwantschap, gedeelde ideeën, sport, kennis, lekker eten, beeldende kunst, mooie woorden, intrigerende gedachten, ambitie, schoonheid, etc’. Ik hoop maar dat het antwoord niet noodgedwongen luidt: ‘om te overleven, je te voegen naar het contract dat de meerderheid met elkaar gesloten heeft, die meerderheid zo min mogelijk tot last te zijn, de samenvatting van de consensus te denken en liefst geruisloos weer te sterven’.

woensdag 13 oktober 2010

Naar zijn beeld: een kabinet van mastodonten


Waarom zitten er zo weinig vrouwen in het kabinet Rutte I? Menigeen vraagt het zich af en menig krantenartikel is er al aan gewijd. We zouden terug zijn bij af. Het land gaat weer regeerd worden door blanke mannen in wie meer dan de helft van de bevolking zich niet herkent. De politiek komt verder af te staan van de burger. Anderen beweren dat de emancipatie voltooid is. Een selectieproces dat extra aandacht besteedt aan de werving van vrouwen is blijkbaar niet meer nodig. Bovendien is een voorkeursbeleid voor vrouwen niet wenselijk. "Ministers moeten niet benoemd worden omdat zij vrouw zijn, maar vrouwen moeten benoemd worden omdat zij ‘ministerabel’ zijn" (vrij naar het NRC hoofdredactioneel commentaar van dinsdag 12 oktober).

Het is een misvatting dat het geringe aantal vrouwen een trendbreuk is. Eerder is er sprake van continuïteit. Drie van de twaalf ministers zijn vrouw (25 %). Het meest vrouwvriendelijke kabinet tot nu toe (2003) telde vijf vrouwelijke ministers op een totaal van zestien (31,25 %). Om terug te komen op mijn beginvraag: waaróm zitten er zo weinige vrouwen in het kabinet? Welnu, van het CDA had ik niet anders verwacht; die heeft de wereld immers te leen van God (het befaamde rentmeesterschap) en God is nu eenmaal door de man naar zijn beeld geschapen.

Hadden we dan van de VVD meer moeten verwachten? Het gedoogaccoord doet anders vermoeden. Daar staat letterlijk: “Het kabinet beëindigt het diversiteits/voorkeursbeleid op basis van geslacht en etnische herkomst. Selectie moet plaatsvinden op basis van kwaliteit.” Dat is precies wat Rutte zegt te hebben gedaan: hij heeft gezocht naar kwaliteit, in alle hoeken en gaten, en hij heeft gevonden. Mannen. Mastodonten. Ervaren. Blank. Jong, maar vooral oud. Heeft hij naar vermogen gezocht? Waarschijnlijk wel. Ik geloof Rutte op zijn woord als hij dat zegt. Ik denk bovendien dat hij er oprecht van overtuigd is dat hij de beste mensen heeft gevonden. Maar ik geloof niet dat hij in alle hoeken en gaten heeft gezocht. Onderzoek naar benoemingsprocedures aan universiteiten laat zien dat (mannelijke) benoemscommissies, onbewust, vrouwen uitsluiten. Niet omdat zij geen vrouw wíllen aanstellen, maar omdat zij de kwalitatief goede vrouwen die er zijn niet opmerken. Zij bevinden zich namelijk niet in hun netwerk en zelfs als zij zich daar wel bevinden, worden ze over het hoofd gezien. Vrouwelijke wetenschappers die hun leidinggevenden na promotie van hun mannelijke collega vragen waarom hen niet gevraagd is te solliciteren krijgen te horen “o, maar ik wist niet dat je die baan ambiëerde”. Als het om hun opvolger gaat kiezen mensen, mannen én vrouwen, (al dan niet bewust) mensen die op hen lijken. Hetzelfde geldt waarschijnlijk, mutatis mutandis, voor de politiek. Rutte heeft goed gezocht, maar vooral in zijn eigen netwerk. Hij schiep een kabinet naar zijn eigen beeld.

Dan rest nog de vraag: waarom zijn er zo weinig vrouwen te vinden in Rutte’s netwerk? Gezien zijn keuze voor Edith Schippers als één van zijn ministers kan dat haast geen principiëel punt zijn. Misschien is er nog een andere verklaring. Dit kabinet is overwegend Conservatief-christelijk (de tijd dat de VVD liberaal was ligt inmiddels achter ons) en die richting trekt minder vrouwen. Vrouwen zijn in grotere getalen te vinden bij Groen Links, D66 en PvdA. Misschien wel omdat vrouwen doorgaans (gemiddeld) wat meelevender zijn dan mannen en meer waarde hechten aan solidariteit. Natuurlijk, CDA en VVD hebben de mond vol van solidariteit, maar woorden kosten geen geld. VVD vindt het bijvoorbeeld solidair dat alle groepen procentueel hetzelfde inleveren, en neemt dus graag voor lief dat de pijn niet evenredig wordt verdeeld.

Wat VVD onder solidariteit verstaat werd afgelopen zaterdag mooi verwoord door Marcel Wissenburg, hoogleraar politieke theorie aan de Radboud Universiteit Nijmegen en verbonden aan de aan de VVD gelieerde Teldersstichting. In een interview naar aanleiding van zijn pleidooi voor embryoselectie kwam het gevaar van de beschikbaarheid van genetische informatie ter tafel. “De solidariteit”, aldus Wissenburg, “wordt ondermijnd wanneer burgers informatie hebben die verzekeraars niet hebben. Daar kunnen zorgverzekeraars aan failliet gaan. Maar de solidariteit wordt ook ondermijnd als verzekeraars genetische informatie misbruiken om mensen uit te sluiten. […] We willen een absolute garantie voor basiszorg voor allerlei aandoeningen. Voor heel dure behandelingen van extreme ziekten moeten mensen zich kunnen bijverzekeren en dan moeten verzekeraars ook over genetische informatie van hun klant kunnen beschikken.” De interviewer pareerde: Dan krijg je toch dat arme mensen zich niet verzekeren tegen dure behandelingen? Wissenburg ontkende dat niet: “Niemand verdient zo'n ernstige ziekte, maar er zijn grenzen aan wat mogelijk is. Je kunt een collecte houden voor de behandeling van je ziekte. Voor mensen is zo'n ziekte dramatisch, maar we kunnen aardbevingen niet uitbannen, en ziekten ook niet.” Solidair? Niet als je het mij vraagt.

Wissenburg gaf in een bijzin overigens ook nog een oorzaak voor het geringe aantal vrouwelijke VVD-ministers. De voorkeur voor mannen begint volgens hem al bij de conceptie. Op de vraag of er geen risico’s kleven aan het door hem gewenste recht van ouders om bij embryoselectie ook het geslacht te kiezen, antwoordt hij: “het bezwaar is misschien dat de bevolking uit de pas gaat lopen. Dat er meer jongens dan meisjes geboren worden.” I rest my case.

En zo schiep de Man een kabinet. Naar Zijn beeld schiep hij het.

donderdag 23 september 2010

Waarom werkende moeders gebaat zijn bij een lekkere jonge vent


Bezuinigen op de kinderopvang is weer een hot item sinds prinsjesdag. Ouders zullen meer moeten gaan bijdragen aan de kosten voor kinderopvang. Voorstanders zeggen dat het krijgen van kinderen een keuze is. Voor de kosten van die keuze moeten ouders dan ook maar zelf opdraaien. Je levert wellicht wat salaris in, maar daar staat tegenover dat je investeert in je toekomst en dat je je blijft ontplooien. Belangrijk, want 'zeventig centimeter schattigheid in een trappelpakje' biedt vrouwen geen voldoening (de laatste kwalificatie komt uit een hoofdredactioneel commentaar in NRC Handelsblad). Tegenstanders zijn bang dat vrouwen massaal zullen stoppen met werken. Dat is niet alleen slecht voor de economie en de arbeidsmarkt, maar ook voor de maatschappelijke positie van vrouwen.
Om te weten waarover we praten een kleine rekensom: de kinderopvang van één kind bij een regulier kinderdagverblijf kost 6,25 euro per uur. Zou Jan Modaal zijn twee kinderen vijf dagen per week naar de kinderopvang brengen, dan kost dat hem zo’n slordige 3500 euro per maand. Voor Jan Modaal is dat anderhalf salaris. Geen wonder dat Truus Modaal overweegt te stoppen met werken.
Maar dan iets anders: waarom zou het Truus Modaal zijn die stopt met werken, en niet Jan? E-quality, een kenniscentrum voor emancipatie, gezin en diversiteit, stelt dat “het een bekend gegeven [is] dat de kosten van de kinderopvang nog vaak worden afgezet tegen het salaris van de moeder”. Preciezer is het wellicht te stellen dat de kosten van kinderopvang worden afgezet tegen het salaris van de minst verdienende partner. En dat is meestal de vrouw. Waarom? Misschien omdat vrouwen nog altijd minder verdienen dan mannen, ook wanneer zij dezelfde functie en ervaring hebben. Maar meer nog omdat in de meeste relaties de vrouw jonger is dan de man. Vrouwen vallen steevast op oudere mannen. En dat is dom. Ouder betekent niet alleen meer rimpels, een kortere levensverwachting en minder puf om met de kinderen te gaan voetballen, maar ook meer werkervaring en (meestal) een hoger salaris. Mijn tip dus aan alle vrouwen die willen blijven werken, ook als de kosten van de kinderopvang gaan stijgen: ga niet op zoek naar een gedistingeerde grijze heer met levens- (en werk)ervaring. Neem in plaats daarvan een lekker jong ding. Fit, mooi, strak en liefst met een iets kleiner salaris dan jij. Mag hij straks lekker op de kinderen gaan passen als de kosten voor de opvang de pan uit rijzen.

zondag 13 september 2009

De onzin van vrouwentopsport


Hoewel de IAAF het heeft bevestigd noch ontkend, gaat het bericht de ronde dat de hardloopster Caster Semenya, winnares van het goud op de 800 meter bij het EK van Berlijn, een hermafrodiet is. Zij zou volgens de Sydney Morning Herald niet over eierstokken, maar over inwendige testikels beschikken, die het hormoon testosteron produceren, net als ‘normale’, uitwendige testikels.

De Afrikaanse atlete heeft vrijwillig een seksetest ondergaan, omdat er twijfels waren gerezen over haar geslacht. Toegegeven, Semenya heeft opvallend veel zogenoemd ‘mannelijke’ trekken. Ze heeft spiermassa, een vierkante kaaklijn, weinig borstontwikkeling en ook haar manier van lopen doet aan die van een man denken. Bovendien: ze loopt opvallend hard; harder dan haar concurrentes op de 800 meter. Nu komt dat wel vaker voor in de topsport, dat één van de deelnemers beduidend beter presteert dan de rest. Die deelnemer is dan doorgaans de winnaar. Zo won de Jamaicaan Usain Bolt al menigmaal het koningsnummer in de atletiek, de 100 meter, met grote overmacht. Maar Bolt wordt toegejuicht (hier en daar mompelt een zwartkijker iets over doping) terwijl Semenya wordt bespot. Een vrouw die zó hard kan lopen, is dat wel een vrouw?

Publiek en atleten drongen aan op een seksetest. Maar sekseteksten zijn al lange tijd omstreden. De verplichte seksetekst (voor vrouwelijke deelnemers) bij de Olympische Spelen werd in 1999 afgeschaft. Dick Swaab legde in NRC Handelsblad al eens uit waarom: zo’n test is namelijk niet zo simpel. Bij de oude Grieken was het onderscheid dat nog wel: had je een penis, dan mocht je meedoen aan de Olympische Spelen. Had je die niet, dan werd je uitgesloten van deelname. Aangezien men gewoon was naakt te sporten, was een seksetest overbodig. Maar tegenwoordig wordt het onderscheid niet meer alleen gemaakt op basis van de aan- of afwezigheid van een penis, het uitwendige geslacht. Er is sprake van een inwendig geslacht, van een chromosomaal geslacht en van een gender-identiteit: het feit of iemand zich man of vrouw voelt. Om het nog ingewikkelder te maken komen die geslachten soms niet met elkaar overeen. Een seksetest moet daarom worden uitgevoerd door verschillende specialisten, die wellicht allemaal tot een verschillende conclusie komen.

De olympische seksetest bepaalde in eerste instantie het chromosomale geslacht: vrouwen hebben twee X-chromosomen, terwijl mannen over één X- en één Y-chromosoom beschikken. Dit bleek echter weinig zinvol: mannen hebben inderdaad op sportief gebied een biologisch voordeel op vrouwen (zij zijn gemiddeld langer en hebben meer spierkracht) maar dit voordeel wordt niet één op één veroorzaakt door hun Y-chromosoom. Sterker nog, er zijn vrouwen met een afwijkend chromosoom-patroon, die genetisch volledig man zijn (XY), maar zich toch tot vrouw ontwikkelen en op sportief gebied totaal geen voordeel hebben van hun ‘afwijking’. Betere prestaties op sportief gebied worden namelijk veroorzaakt door een grotere testosteronproductie. Nu kan de testosteronproductie in het menselijk lichaam om allerlei redenen hoger zijn dan gemiddeld, zowel bij vrouwen als bij mannen. Vermoedelijk heeft Bolt een hogere testosteronspiegel dan zijn minder presterende concurrenten. Het zou echter niet bij het IAAF of het IOC opkomen om hem om die reden uit de competitie te halen.

Dit gebeurt nu wellicht wel bij Semenya. Volgens de Sydney Morning Herald moet het IAAF nu onderzoeken of de atlete voordeel ondervindt van haar ‘toestand’. In dat geval kan haar de toegang tot de vrouwentopsport worden ontzegd, of zal haar gevraagd worden een behandeling te ondergaan. ‘Voordeel’ zal in deze context wel betekenen ‘sportief voordeel’. De vraag is dus of Semenya meer snelheid heeft dan haar tegenstandsters, vanwege haar inwendige testikels. Dat is nog helemaal niet zeker, want vrouwen als Semenya hebben weliswaar testosteronproducerende testikels, maar missen het effect van testosteron uit de eierstokken en de bijnieren, dat normale vrouwen wel hebben, aldus Swaab in bovengenoemde column.

Wat de uitslag ook zal zijn, de reputatie van de achttienjarige vrouw is inmiddels onherstelbaar geschaad en we kunnen slechts hopen dat dit niet ook geldt voor haar geestesleven. Afgezien daarvan roept de zaak vele vragen op. Moeten alle vrouwen met een relatief hoge testosteronspiegel worden uitgesloten van deelname aan topsport? Het lijkt absurd, want in de mannelijke topsport zijn het meestal ook de mannen met de hoogste testosteronspiegel die de beste prestaties neerzetten. Maar wat doen we dan met meisjes met een congenitale bijnierhyperplasie, die daardoor meer testosteron aanmaken dan gemiddeld? Of met vrouwen die behalve een hoge testosteronspiegel ook nog andere mannelijke kenmerken of een mannelijk chromosoom hebben? Het lijkt niet eerlijk dat zij zoveel vooroordelen hebben boven hun ‘normale’ concurrentes.

Maar wat is ‘niet eerlijk’ in deze context? Het is maar hoe je het bekijkt. Is het niet eerlijk dat de sprinter Bolt zoveel meer aanleg heeft dan al zijn concurrenten? Moeten we hem om die reden uitsluiten van deelname? Natuurlijk niet. In de topsport is het nu eenmaal zo dat degene met de meeste aanleg wint. Testosteron is wellicht de sleutel tot die aanleg, tenminste bij sporten waarin snelheid of kracht wordt gemeten. Misschien moeten we daarom accepteren dat vrouwen zoals Semenya het beste presteren. We moeten niet hun leven verpesten met seksetesten en beschuldigingen, maar hun toejuichen en behangen met medailles: zij zijn immers de snelste en verdienen het te winnen.

Of we moeten ons afvragen of topsport voor vrouwen eigenlijk wel zinvol is als we niet in staat blijken de groep op een eerlijke manier af te bakenen. ‘Man’ en ‘vrouw’ blijken eens te meer geen absolute categorieën. Er zijn individuen die tussen deze twee categorieën doorglippen. Het zijn misschien kleine aantallen, maar juist in de topsport vallen deze mensen op, omdat zij zich als vrouw presenteren, maar door hun ‘mannelijke’ kenmerken beter presteren dan andere vrouwen. In de échte topsport, de mannensport, kunnen zij niet mee, maar zij zijn wel de besten onder de minder presterende categorie, de minkukels van de sport, de vrouwen. Pierre de Coubertin, mede-oprichter van het Internatinaal Olympisch Comité (IOC) verwoordde het in 1912 zo: ‘deelname van vrouwen aan de spelen is onpraktisch, oninteressant en ongepast'. Bij de laatste kwalificatie zet ik mijn vraagtekens.

donderdag 20 augustus 2009

Opdracht voor mijn zus


Mijn zus, die niet alleen schrijver, journalist, vriendin en lievelingszus, maar ook nog schilder is, portretteert oude, wijze mannen, in een serie getiteld: Look-alikes of WiseOldMEN. Over het hoe, waarom en waartoe van de serie vertelt zij het beste zelf. Maar haar uitleg zette mij aan het denken. Word je wijzer van het kijken naar wijsheid? En de rimpels die je daarvan krijgt, zijn dat echt denkrimpels, of ontstaan ze door het turen? Waarom is wijsheid nooit mooi en jong, maar altijd oud en gerimpeld? Maar vooral: spreekt de wijsheid van hen die nooit werden verbeeld minder tot onze verbeelding dan de wijsheid van hen die vanaf doeken, voetstukken en fotopapier op ons neerzien?

Al jaren van mijn werkzame leven worstel ik mij door de geschriften van hele dode mannen. Met heel erg dood bedoel ik hier meer dan zeshonderd jaar. Zij leefden in een tijd, de veertiende eeuw, waarin mannen misschien niet zo heel erg oud werden, maar wel heel erg wijs konden zijn. Mijn hele-dode-mannen waren filosofen en theologen (de wetenschappers van die tijd) aan de belangrijkste universiteit ter wereld, die van Parijs. Zij waren niet alleen wijs, maar waren ook nog zo fortuinlijk het monopolie op wijsheid te bezitten. Misschien hadden ze wat concurrentie van mannen uit Oxford, en de nieuwe universiteiten in Centraal Europa, maar verder hoefden zij zich nog niet druk te maken over een almaar uitdijend, concurrerend en onoverzichtelijk netwerk van intellectuele activiteit in alle talen van Babylon. De wijsheid was, net als zij, thuis aan hun alma mater, in de universele Latijnse taal, en zij konden zich er dag en nacht aan laven.

Mijn wijze mannen, Johannes Buridanus (ca. 1300 – ca. 1361) en Marsilius van Inghen (ca. 1340 – 1396) zijn nooit waarheidsgetrouw verbeeld. Er was nog geen schilder, death or alive, die gestalte heeft gegeven aan Buridanus' oude, gerimpelde gezicht. (Interessant detail: als ik op google afbeeldingen op 'Buridanus' zoek, krijg ik mijn eigen foto!) Voor Marsilius is het iets minder droevig gesteld: zo vond ik in een manuscript van Marsilius' commentaar op Aristoteles’ Metaphysica een pentekening die de magister moet voorstellen. Maar dat is een magere oogst. Vier lijntjes, een paar krulletjes en een pukkel op zijn wang, that’s it. Op een andere, meer recente afbeelding die ik op de website van de Universiteit van Heidelberg vond, zit de pukkel trouwens ineens in zijn nek. Van andere middeleeuwse filosofen bestaan overigens wel talrijke, waarschijnlijk goedlijkende afbeeldingen, bijvoorbeeld van Thomas van Aquino (1224-1274), die zo dik moet zijn geweest dat zijn collegae Fransiscanen na zijn dood het vlees van zijn botten moesten koken, omdat hij anders niet in zijn kist paste. Maar niet van mijn wijze mannen.

Nu zijn mijn dode, wijze mannen ook niet zo heel erg beroemd. Sterker nog, het zou me niets verbazen als u nog nooit van hun namen heeft gehoord. De volgende anekdote is tekenend: toen in de jaren zeventig de campus van de toenmalige Katholieke Universiteit Nijmegen gebouwd werd, en alle straten de namen van Nederlandse filosofen en wetenschappers gingen dragen, kreeg Marsilius van Inghen, die in Nijmegen geboren werd, bijna een eigen straat. Bijna, want de voorzitter van de stratencommissie kon Marsilius’ naam niet vinden in zijn encyclopedie en sprak zijn veto uit. De straat heet nu de ‘Thomas van Aquinostraat’. Was Thomas van Aquino een wijs man? Ja. Belangwekkend? Zeker. Maar Nederlands? Niet in de verste verte.

Nooit verbeeld en in de vergetelheid geraakt. Zou er een verband zijn? En zijn wij deze mannen en hun wijsheid dan vergeten omdat zij nooit verbeeld zijn, of zijn zij nooit verbeeld omdat wij hen vergeten zijn? Ik neem de proef op de som en geef mijn zus een belangrijke opdracht: verbeeld mijn dode magisters in de serie Look-alikes of WiseOldMEN. Verbeeld ze in een aura van wijsheid, waarheidsgetrouw voor zover je inbeeldingsvermogen dat toestaat. Zouden zij dan alsnog ontrukt worden aan de vergetelheid? Zouden zij eindelijk hun straat krijgen? Ik wacht rustig af…

donderdag 23 juli 2009

Glenfarclas


Ik ben weer aan het werk! Maar niemand die het ziet, want ik zit moederziel alleen op de zestiende verdieping van het Erasmusgebouw. Daarom meld ik het maar even.
Buiten zijn de vierdaagsefeesten in volle gang. Morgen zal de hele stad even stilstaan. Geen zin in feest? Vergeet het maar: u hebt verplicht vrij om naar de intocht van duizenden strompelende lopers te gaan kijken, die al vier dagen lang spijt hebben van hun inschrijving, maar dat onder invloed van adrenaline en gladiolen binnen mum van tijd weer vergeten zijn.
Maar allez, ik ben dus weer aan het werk gegaan. Op mijn bureau vond ik een fles whisky, van het merk Glenfarclas (cask strenght!), met een briefje eraan:

Bijgaand wordt u toegezonden:
1. ter bespreking/ behandeling
2. om te behouden.

Doorgekrast was de voorgedrukte mededeling: ‘na inzage retour’. Kijk, dat is nog eens goed terugkomen. Dank, lieve collega M! Jij snapt wat een vrouw nodig heeft als ze terugkomt van haar verlof. Ik zal het edele vocht met liefde bespreken/behandelen. Wellicht komt er nog wel een ode van. Over minnende turfgestookte zilte westenwind en zacht zeewier met een snuifje amoniak. Of over turfdoortrokken slokken mondvullend charisma, van wolgeverfde Schotten. Of over het goud van nuffige etablissementen met kortgerokte oberessen, die zelf enkel zoetgeschaafde cocktails drinken, en whisky schenken in lage bekerglazen (maar daar geen excuus voor vragen). Wie weet… maar laat ik niet op de zaken vooruit lopen.

dinsdag 7 juli 2009

Twitter en Lord Voldemort

Net terug van vakantie. (Het is hoogst onverstandig op media als hyves, facebook en blogspot te melden dat, wanneer en waar je op vakantie gaat, maar ik ga ervan uit dat dit niét geldt voor het melden van je thuiskomst). Anderhalve week ben ik op een niet nader te noemen plaats weg geweest van de wereld en heb ik mij voorbereid op mijn terugkomst in het échte leven, mijn reïntegratie in de maatschappij, het einde van de verwezing, ofwel: het einde van mijn verlof. Over twee weken stort ik mij weer in het leven van alledag, maak ik mij weer nuttig binnen mijn nutteloze discipline, hoor ik er weer helemaal bij.
Manlief wijst me er liefjes op dat ik mij vergis. Present op hyves, facebook, skype en blogspot waande ik me weliswaar een hippe, bijdetijdse wereldburger, maar helaas: de echte wereldburger TWITTERT, aldus manlief. Komt er dan nooit een einde aan de stroom digitale 'places to be'? Is bestaan waargenomen worden? Of is mijn bestaan slechts af te leiden uit al mijn digitale sporen, zoals een voetafdruk de (gewezen) aanwezigheid van een mens verraadt? Vooralsnog maar geen twitter voor mij. Zoveel fragmentatie kan niet goed zijn voor een mens. Vraag dat maar aan Lord Voldemort.